dupa

 0    106 schede    kubataciak
Scarica mp3 Stampa Gioca Testa il tuo livello
 
Domanda Risposta
HOOFDSTUK 1
inizia ad imparare
HOOFDSTUK 1
zijn
inizia ad imparare
was / waren, z. geweest
was / waren, z. geweest
inizia ad imparare
zijn
hebben
inizia ad imparare
had / hadden, h. gehad
had / hadden, h. gehad
inizia ad imparare
hebben
geven
inizia ad imparare
gaf/gaven, h. gegeven
gaf/gaven, h. gegeven
inizia ad imparare
geven
beginnen
inizia ad imparare
begon / begonnen, z. begonnen
begon / begonnen, z. begonnen
inizia ad imparare
beginnen
komen
inizia ad imparare
kwam/kwamen, z. gekomen
kwam/kwamen, z. gekomen
inizia ad imparare
komen
zeggen
inizia ad imparare
zei / zeiden, h. gezegd
zei / zeiden, h. gezegd
inizia ad imparare
zeggen
gaan
inizia ad imparare
ging/gingen, z. gegaan
ging/gingen, z. gegaan
inizia ad imparare
gaan
heten
inizia ad imparare
heette / heetten, h. geheten
heette / heetten, h. geheten
inizia ad imparare
heten
krijgen
inizia ad imparare
kreeg / kregen, h. gekregen
kreeg / kregen, h. gekregen
inizia ad imparare
krijgen
vragen
inizia ad imparare
vroeg / vroegen, h. gevraagd
vroeg / vroegen, h. gevraagd
inizia ad imparare
vragen
nemen
inizia ad imparare
nam/namen, h. genomen
nam/namen, h. genomen
inizia ad imparare
nemen
staan
inizia ad imparare
stond/stonden, h. gestaan
stond/stonden, h. gestaan
inizia ad imparare
staan
HOOFDSTUK 2
inizia ad imparare
HOOFDSTUK 2
zitten
inizia ad imparare
zat/ zaten, h. gezeten
zat/ zaten, h. gezeten
inizia ad imparare
zitten
kijken
inizia ad imparare
keek/keken, h. gekeken
keek/keken, h. gekeken
inizia ad imparare
kijken
doen
inizia ad imparare
deed / deden, h. gedaan
deed / deden, h. gedaan
inizia ad imparare
doen
moeten
inizia ad imparare
moest / moesten, h. gemoeten
moest / moesten, h. gemoeten
inizia ad imparare
moeten
schrijven
inizia ad imparare
schreef/schreven, h. geschreven
schreef/schreven, h. geschreven
inizia ad imparare
schrijven
zien
inizia ad imparare
zag/zagen, h. gezien
zag/zagen, h. gezien
inizia ad imparare
zien
spreken
inizia ad imparare
sprak / spraken, h. gesproken
sprak / spraken, h. gesproken
inizia ad imparare
spreken
denken
inizia ad imparare
dacht/dachten, h. gedacht
dacht/dachten, h. gedacht
inizia ad imparare
denken
zoeken
inizia ad imparare
zocht/zochten, h. gezocht
zocht/zochten, h. gezocht
inizia ad imparare
zoeken
kunnen
inizia ad imparare
kon/konden, h. gekund
kon/konden, h. gekund
inizia ad imparare
kunnen
willen
inizia ad imparare
wilde (wou) / wilden (wouden), h. gewild
wilde (wou) / wilden (wouden), h. gewild
inizia ad imparare
willen
slapen
inizia ad imparare
sliep / sliepen, h. geslapen
sliep / sliepen, h. geslapen
inizia ad imparare
slapen
HOOFDSTUK 3
inizia ad imparare
HOOFDSTUK 3
roepen
inizia ad imparare
riep / riepen, h. geroepen
riep / riepen, h. geroepen
inizia ad imparare
roepen
mogen
inizia ad imparare
mocht / mochten, h. gemogen
mocht / mochten, h. gemogen
inizia ad imparare
mogen
zullen
inizia ad imparare
zou / zouden
zou / zouden
inizia ad imparare
zullen
lezen
inizia ad imparare
las / lazen, h. gelezen
las / lazen, h. gelezen
inizia ad imparare
lezen
kiezen
inizia ad imparare
koos / kozen, h. gekozen
koos / kozen, h. gekozen
inizia ad imparare
kiezen
drinken
inizia ad imparare
dronk / dronken, h. gedronken
dronk / dronken, h. gedronken
inizia ad imparare
drinken
weten
inizia ad imparare
wist / wisten, h. geweten
wist / wisten, h. geweten
inizia ad imparare
weten
worden
inizia ad imparare
werd / werden, z. geworden
werd / werden, z. geworden
inizia ad imparare
worden
liggen
inizia ad imparare
lag/lagen, h. gelegen
lag/lagen, h. gelegen
inizia ad imparare
liggen
HOOFDSTUK 4
inizia ad imparare
HOOFDSTUK 4
tegenkomen
inizia ad imparare
kwam tegen/kwamen tegen, z. tegengekomen
kwam tegen/kwamen tegen, z. tegengekomen
inizia ad imparare
tegenkomen
blijven
inizia ad imparare
bleef/bleven, z. gebleven
bleef/bleven, z. gebleven
inizia ad imparare
blijven
vinden
inizia ad imparare
vond/vonden, h. gevonden
vond/vonden, h. gevonden
inizia ad imparare
vinden
eten
inizia ad imparare
at / aten, h. gegeten
at / aten, h. gegeten
inizia ad imparare
eten
afspreken
inizia ad imparare
sprak af/ spraken af, h. afgesproken
sprak af/ spraken af, h. afgesproken
inizia ad imparare
afspreken
bezoeken
inizia ad imparare
bezocht/bezochten, h. bezocht
bezocht/bezochten, h. bezocht
inizia ad imparare
bezoeken
meegaan
inizia ad imparare
ging mee / gingen mee, z. meegegaan
ging mee / gingen mee, z. meegegaan
inizia ad imparare
meegaan
HOOFDSTUK 5
inizia ad imparare
HOOFDSTUK 5
kopen
inizia ad imparare
kocht/kochten, h. gekocht
kocht/kochten, h. gekocht
inizia ad imparare
kopen
snijden
inizia ad imparare
sneed/sneden, h. gesneden
sneed/sneden, h. gesneden
inizia ad imparare
snijden
houden
inizia ad imparare
hield/hielden, h. gehouden
hield/hielden, h. gehouden
inizia ad imparare
houden
brengen
inizia ad imparare
bracht/brachten, h. gebracht
bracht/brachten, h. gebracht
inizia ad imparare
brengen
bakken
inizia ad imparare
bakte/bakten, h. gebakken
bakte/bakten, h. gebakken
inizia ad imparare
bakken
begrijpen
inizia ad imparare
begreep / begrepen, h. begrepen
begreep / begrepen, h. begrepen
inizia ad imparare
begrijpen
HOOFDSTUK 6
inizia ad imparare
HOOFDSTUK 6
proeven
inizia ad imparare
proefde / proefden, h. geproefd
proefde / proefden, h. geproefd
inizia ad imparare
proeven
helpen
inizia ad imparare
hielp/hielpen, h. geholpen
hielp/hielpen, h. geholpen
inizia ad imparare
helpen
laten
inizia ad imparare
liet / lieten, h. gelaten
liet / lieten, h. gelaten
inizia ad imparare
laten
bedenken
inizia ad imparare
bedacht/bedachten, h. bedacht
bedacht/bedachten, h. bedacht
inizia ad imparare
bedenken

Devi essere accedere per pubblicare un commento.